Sex in het hooi geile tiener sletjes

sex in het hooi geile tiener sletjes

Sex niederlande prive ontvangst overijssel

Chet gaf de teef een trap met de neus van zijn laars, en dat bracht ze enigszins tot bedaren. Hij stond tussen de bomen toe te kijken hoe de dikke knul stond te worstelen met een boog die even lang was als hijzelf. Zijn rode vollemaansgezicht stond strak van de concentratie. Voor hem staken drie pijlen in de grond.

Tarly zette er een op de pees en spande de boog, hield hem een poosje gespannen, terwijl hij probeerde te mikken, en liet los. De pijlschacht verdween in het groen.

Chet schoot hard in de lach, een lekker afkeurend gehinnik. Alsof ik daar iets aan kon doen. Het beest was wit en het sneeuwde, wat hadden ze dan verwacht? De tweede pijl vloog hoog de lucht in en zeilde tien voet boven het doelwit tussen de takken door.

Goden, wat heb ik het koud. Schiet je laatste pijl af, Samwel, ik geloof dat mijn tong aan mijn verhemelte vastvriest.

Ser Biggetje liet de boog zakken en Chet dacht dat hij het op een grienen zou zetten. Plichtsgetrouw trok de dikke knul zijn laatste pijl uit de grond, zette hem op zijn boog, trok de pees aan en liet los. Hij deed het snel, zonder ingespannen langs de schacht te turen zoals de eerste twee keer. De pijl raakte het silhouet van houtskool laag in de borst en bleef trillend hangen. Ed, kijk eens, ik heb hem geraakt. Tollet haalde zijn schouders op. De meeste bomen hebben er geen. Als je hem zo zag zou je haast denken dat hij echt iets groots had verricht.

Maar toen hij Chet en de honden zag verschrompelde zijn glimlach en stierf piepend weg. Die blijven niet met gespreide armen en ritselende blaadjes staan, O nee. Die komen recht op je af en krijsen in je gezicht, en dan wed ik dat je die broek zó onderpiest. Het laatste wat je hoort is de klap waarmee het ding je schedel splijt. Ed van de Smarten legde een hand op zijn schouder. Klopt het dat de helft van je hersens eruit gelekt en door je honden opgevroten is? Gren, die grote lomperik, lachte en zelfs Samwel Tarling bracht een flauwe glimlach op.

Chet gaf de dichtstbijzijnde hond een schop, rukte aan hun riemen en begon de heuvel te beklimmen. Je glimlacht maar een eind weg, ser Biggetje.

We zullen wel zien wie er vannacht lacht. Hij wenste alleen dat hij tijd had om ook Tollet om zeep te helpen. Een geschifte zwartkijker met een paardenbek, dat is-ie. Het was een hele klim, zelfs aan zijn kant van de Vuist, waar de helling het minst steil was.

Ergens halverwege begonnen de honden te blaffen en te trekken, in de waan dat ze nu binnenkort te eten zouden krijgen. In plaats daarvan liet hij ze zijn laars proeven, en de grote lelijkerd die naar hem beet kreeg een klap van de zweep. Toen ze eenmaal vastlagen ging hij verslag uitbrengen. Als we die rothonden eens in de pot stopten, dacht Chet, maar hij hield zijn mond tot de ouwe Beer zei dat hij kon gaan.

En nu heb ik voor het laatst mijn hoofd voor die kerel gebogen, zei hij tevreden bij zichzelf. Hij had de indruk dat het nog kouder werd, wat hij niet voor mogelijk had gehouden.

De honden zaten zielig tegen elkaar aan in de hard bevroren modder, en Chet was half en half geneigd om bij ze te kruipen. In plaats daarvan wond hij een zwarte wollen sjaal om de onderkant van zijn gezicht, waarbij hij tussen de windsels een spleet voor zijn mond openliet. Als hij in beweging bleef had hij het warmer, merkte hij, dus deed hij langzaam de ronde langs de buitenwal met een pruim zuurblad.

De zwarte broeders die op wacht stonden liet hij ook een of twee keer kauwen, luisterend naar wat ze te zeggen hadden. Geen van de mannen van de dagwacht waren in zijn plannen ingewijd, maar toch leek het hem goed om althans enigszins op de hoogte te zijn van wat ze dachten.

Toen de schaduwen lengden trok de wind aan. Hij snerpte met een hoog, dun geluid tussen de stenen van de ringwal door. Toen hij helemaal rond was en naar de honden terugliep werd hij daar door Lark opgewacht. Ze zijn heftig aan het discussiëren. Lark schoof dichter naar hem toe. Chet had zo het idee dat ze de grote kerel harder nodig hadden dan Lark. Jij voert jouw taak uit en hij de zijne.

De schemering kwam al door het bos kruipen tegen de tijd dat hij de Zusterman kwijt was en was gaan zitten om zijn zwaard te wetten. Dat was verdomd lastig werken met handschoenen aan, maar hij was niet van plan ze uit te trekken. Hoe koud het ook was, de idioot die met zijn blote handen aan staal kwam was een lap huid kwijt.

Met zonsondergang begonnen de honden te janken. Hij trakteerde ze op water en scheldwoorden. Dywen stond bij het kookvuur te neuzelen toen Chet van Heek, de kok, zijn homp hard brood en zijn kom spek-en-bonensoep in ontvangst nam. Ik heb nog nooit zulk dood hout gehoord.

Dywen liet zijn houten gebit klapperen. Eerst wel, maar nu niet meer. Waar zouden ze heen zijn, denken jullie? Van de ruim tien broeders die bij het vuur zaten hoorden er vier bij hem. Terwijl hij at keek hij hen een voor een met toegeknepen ogen strak aan, om te zien of er een bij was die stuk dreigde te gaan. Dolk leek vrij kalm. Hij zat zwijgend zijn mes te slijpen, zoals hij iedere avond deed.

En Mooie Donneel Heuvel zat onbekommerd aan een stuk door moppen te tappen. Hij had witte tanden, volle rode lippen en blonde, zorgvuldig gekrulde lokken tot over zijn schouders, en hij beweerde de bastaard van een of andere Lannister te zijn. Wie weet was dat ook zo. Chet kon geen knappe jongens gebruiken en bastaarden al evenmin, maar Mooie Donneel leek zich goed staande te houden. Minder zeker was hij van de houtvester die de broeders Zaaghout noemden, meer vanwege zijn gesnurk dan om wat voor geboomte dan ook.

Op dit moment zag hij er onrustig genoeg uit om nooit meer te snurken. En Maslijn was nog erger. Ondanks de ijzige wind zag Chet het zweet over zijn gezicht lopen. In het vuurschijnsel blonken de vochtdruppels als even zovele natte parels. Maslijn at ook niet, hij zat maar naar zijn soep te staren, alsof hij elk moment onpasselijk kon worden van de lucht.

Die moet ik in de gaten houden, dacht Chet. Verzamelen bij het vuur in het midden! Mormont droeg een dikke mantel van zwart bont en zijn raaf zat op zijn schouder en poetste zijn zwarte veren. Dit heeft vast niks goeds te betekenen.

Chet wrong zich tussen Bruine Bernar en een paar mannen uit de Schaduwtoren in. Toen iedereen verzameld was, behalve de uitkijken in het bos en de wachters op de ringwal, schraapte Mormont zijn keel en spuwde. Zijn spuug bevroor voor het de grond raakte. Thoren denkt dat hun voorhoede ons over tien dagen bereikt. Hun meest doorgewinterde plunderaars zullen zich bij Harma de Hondenkop in die voorhoede bevinden. De rest vormt waarschijnlijk de achterhoede of rijdt in de onmiddellijke nabijheid van Mans Roover zelf.

Elders zullen hun strijders dunnetjes over de hele marslinie uitgesmeerd zijn. Ze hebben ossen, muilezels en paarden bij zich … maar niet zoveel. De meesten zullen te voet zijn, ongewapend en slecht getraind.

De wapens die ze hebben zullen eerder van steen en been dan van staal zijn. Ze sjouwen vrouwen, kinderen, kudden schapen en geiten en al hun aardse bezittingen mee. Kortom, hoe talrijk ook, ze zijn kwetsbaar… en ze weten niet dat wij hier zijn. Laten we dat althans hopen en bidden.

Ze weten het wel, dacht Ghet. Ellendige ouwe etterbuil, ze weten het zo zeker als de zon opkomt. Qhorin Halfhand is toch niet teruggekomen? En Jarmen Bokwel ook niet. Als een van die twee gepakt is weet je donders goed dat die wildingen daar inmiddels wel een paar verhaaltjes uitgewrongen zullen hebben. Smalhout trad naar voren. Morgen brengen wij de oorlog bij hem. De heuvels onder aan de Vorstkaken zitten vol nauwe, kronkelige dalen die voor hinderlagen gemáákt zijn. Hun marslinie zal zich over vele mijlen uitstrekken.

We zullen ze op verscheidene plaatsen tegelijk overvallen, en ze zullen zweren dat we met drieduizend man waren in plaats van met driehonderd. We verbranden hun wagens, jagen hun kudden uiteen en slaan er zoveel mogelijk dood. Ook Mans Roover, als we hem vinden. Als ze uiteenvallen en hun bouwvallen opzoeken hebben we gewonnen. Zo niet, dan blijven we hen tot aan de Muur bestoken en zorgen we dat ze op hun weg een spoor van lijken achterlaten. Maar zoals een andere opperbevelhebber duizend jaar geleden zei, dat is ook de reden dat we ons in het zwart kleden.

Denk aan uw woorden, broeders. Toen deed iedereen het en waren er bijna driehonderd opgeheven zwaarden, en even zovele stemmen riepen: Het schild dat de rijken der mensen beschermt!

De lucht dampte van hun adem en het vuurschijnsel fonkelde op het staal. Hij was blij om te zien dat Lark en Zachtvoet en Mooie Donneel Heuvel ook meededen, alsof ze net zulke idioten waren als de rest.

Het had geen zin om de aandacht te trekken nu hun tijd zo nabij was. Toen het geschreeuw wegstierf hoorde hij opnieuw het geluid van de wind die aan de ringwal rukte. De vlammen kronkelden en huiverden alsof ook zij het koud hadden, en in de plotselinge stilte kraste de raaf van de ouwe Beer luidkeels en zei nogmaals: Slimme vogel, dacht Chet toen de officieren hen wegzonden en iedereen waarschuwden dat ze goed moesten eten en een lange nacht moesten zien te maken.

Chet kroop onder zijn bontvellen bij de honden, zijn hoofd vol van alles wat er fout kon gaan. Als die verdomde eed een van zijn mensen nu eens van mening deed veranderen? Of als Paultje vergeetachtig was en Mormont tijdens de tweede wacht probeerde te doden in plaats van tijdens de derde? Of als Maslijn de moed verloor, of iemand hen verklikte, of…. Hij merkte dat hij naar de nacht lag te luisteren. De wind klonk echt als een jammerend kind, en zo nu en dan hoorde hij mensenstemmen, het ge hinnik van een paard, een houtblok dat knapte in het vuur.

Wat is het stil. Het gezicht van Bessa zweefde hem voor ogen. Het was niet dat mes dat ik in je had willen steken, wilde hij tegen haar zeggen. Ik had bloemen voor je geplukt, wilde rozen en boerenwormkruid en goudkelkjes, daar was ik de hele ochtend mee bezig geweest.

Zijn hart bonkte als een trommel, zo luid dat hij bang was dat het kamp er wakker van zou worden. Overal om zijn mond zat er ijs in zijn baard. Hoe kom ik nou weer op Bessa? Altijd als hij aan haar dacht had hij zich uitsluitend herinnerd hoe ze eruitzag toen ze doodging. Wat was er met hem aan de hand? Hij kon nauwelijks ademhalen. Was hij in slaap gevallen? Hij ging op zijn knieën zitten en iets nats en kouds raakte zijn neus.

Hij voelde de tranen op zijn wangen bevriezen. Dat is niet eerlijk! Sneeuw zou al zijn werk tenietdoen, al zijn zorgvuldig gesmede plannen. Het was een zware bui. Overal om hem heen daalden dikke witte vlokken neer. Hoe moesten ze in die sneeuw hun voedselopslagplaatsen vinden, en het wildspoor waarlangs ze naar het oosten wilden?

Ze hebben Dywen en Bannen niet eens nodig om ons te vangen als we sporen in de verse sneeuw achterlaten. En sneeuw maakte het terrein onzichtbaar, vooral bij nacht. Een paard kon over een boomwortel struikelen of een been breken op een steen. Dit doet ons de das om, besefte hij. Nog voor we begonnen zijn. Geen herenleven voor de zoon van de bloedzuigerman, geen eigen burcht, geen vrouwen of kronen. Alleen een wildlingenzwaard in zijn ingewanden en dan een ongemarkeerd graf.

Die sneeuw neemt me alles af… verdomde rotsneeuw…. Sneeuw had al eens alles voor hem verpest. Sneeuw, en zijn geliefde Biggetje.

Zijn benen waren stijf en de vallende vlokken veranderden het toortslicht in de verte in een vage oranje gloed.

Hij had het gevoel dat hij door een wolk bleke, koude insecten aangevallen werd. Ze streken op zijn schouders neer, ze vlogen tegen zijn neus en in zijn ogen. Vloekend veegde hij ze af. Samwel Tarling, schoot het hem te binnen. Ik kan nog met ser Biggetje afrekenen.

Hij wond zijn sjaal om zijn gezicht, trok zijn kap over zijn hoofd en beende door het kamp naar de slaapplaats van die lafaard. De sneeuw viel nu zo dicht dat hij verdwaalde tussen de tenten, maar ten slotte vond zijn oog het knusse windschermpje dat de jongen voor zichzelf had opgericht tussen een rotsblok en de ravenkooien.

Tarling lag onder een stapel zwarte wollen dekens en ruige pelzen begraven. De sneeuw zweefde naar binnen om hem te bedekken. Hij zag eruit als een weke, ronde berg. Flauw als de hoop fluisterde staal langs leer toen Chet zijn dolk zachtjes uit de schede haalde. Een van de raven klokte zacht. Voetje voor voetje schoof hij behoedzaam langs hen. Hij zou zijn linkerhand voor de mond van die dikzak slaan om zijn kreten te smoren, en dan…. Hij stokte midden in een stap en onderdrukte een vloek toen het hoorngeschal door het kamp sidderde, vaag en veraf, maar niet mis te verstaan.

Goden, vervloekt, niet nu! De ouwe Beer had verspieders in een cirkel van bomen rond de Vuist geposteerd om alarm te slaan als er iemand aankwam. Een enkele hoornstoot betekende dat er broeders terugkwamen.

Als het de Halfhand was kon het zijn dat Jon Sneeuw levend en wel bij hem was. Sam Tarling ging met slaperige oogjes rechtop zitten en staarde in verwarring naar de sneeuw. De raven krasten luidruchtig en Chet kon zijn honden horen blaffen. De helft van het rotkamp is wakker. Zijn in handschoenen gehulde vingers klemden zich om het heft van zijn dolk, terwijl hij wachtte tot het geluid zou wegsterven.

Maar het was nog niet weg of het kwam alweer terug, luider en langduriger. De dikke jongen werkte zich zwaaiend op zijn knieën overeind, zijn voeten in zijn mantel en dekens verstrikt. Hij schopte ze weg en reikte naar een maliënkolder die hij aan de dichtstbijzijnde rots had gehangen. Toen hij het enorme kledingstuk over zijn hoofd had laten glijden en zich erin werkte zag hij Chet staan.

Twee signalen voor naderende vijanden. Daar komt een bijl aan waar Biggetje op staat, dikzak. Twee signalen, dat wil zeggen: Het geluid hield maar aan, totdat het leek of het nooit meer zou wegsterven. De raven fladderden en krijsten, vlogen door hun kooien en botsten tegen de tralies op, en door het hele kamp stonden de broeders van de Nachtwacht op, trokken hun wapenrusting aan, gespten hun zwaardriemen om en reikten naar hun strijdbijlen en bogen.

Samwel Tarling trilde op zijn benen en zijn gezicht had de kleur van de sneeuw die overal om hen heen dwarrelde. Ze blazen nooit drie keer op de hoorn. Nog in geen honderdduizend jaar. De oostenwind waaide door zijn verwarde haar, zacht en zoetgeurig als Cerseis vingers. Hij hoorde vogels zingen en voelde de rivier onder de boot door bewegen, terwijl de riemen hen met brede zwaaien naar de bleekroze dageraad tilden.

Na al die tijd in het donker was de wereld zo lieflijk dat het Jaime Lannister duizelde. Ik leef en ik ben dronken van zonlicht. Een lach ontsnapte aan zijn lippen, abrupt als een opgeschrikte kwartel.

Een stuurse blik paste beter bij haar brede, lelijke gezicht dan een glimlach. Niet dat Jaime haar ooit had zien glimlachen. Hij vermaakte zich door zich voor te stellen dat ze een van Cerseis zijden japonnen droeg in plaats van dat met ijzer versterkte leren buis. Je kunt evengoed een koe in zijde hullen. Maar de koe kon wel roeien.

Onder haar grove bruine broek gingen kuiten als houten kabels schuil en haar lange armspieren strekten en spanden zich bij iedere riemslag. Zelfs nu ze al de halve nacht roeide vertoonde ze nog geen tekenen van vermoeidheid, wat niet gezegd kon worden van zijn neef Cleos, die aan de andere riem zwoegde.

Als je haar zo ziet is het een grote, sterke boerendeerne, maar ze spreekt of ze hooggeboren is en draagt een slagzwaard en een dolk. Ja, maar weet ze die ook te gebruiken? Jaime was van plan erachter te komen zodra hij zich van die ketens had bevrijd. Hij droeg ijzeren boeien om zijn polsen en een vergelijkbaar stel om zijn enkels, verbonden met een ijzeren ketting van niet meer dan een voet lang.

Hij was toen stomdronken geweest, door toedoen van Catelyn Stark. Hun ontsnapping uit Stroomvliet herinnerde hij zich maar bij stukjes en beetjes. Er waren wat problemen geweest met de cipier, maar die was door de forse deerne overmeesterd. Daarna waren ze een trap opgeklommen die eindeloos ronddraaide. Zijn benen waren zo slap als grassprieten en hij was twee of drie keer gestruikeld, tot de deerne hem haar arm had geboden om op te leunen.

Op een bepaald moment was hij in een reismantel gewikkeld en op de bodem van een roeiboot gedeponeerd. Hij wist nog dat hij had liggen luisteren hoe vrouwe Catelyn iemand gelastte het valhek van de waterpoort op te halen. Ze zond ser Cleos Frey met nieuwe voorwaarden voor de koningin naar Koningslanding terug, had ze verklaard op een toon die geen tegenspraak duldde.

Daarna moest hij zijn ingedommeld. De wijn had hem slaperig gemaakt en het was heerlijk om zich te kunnen uitstrekken, een luxe die zijn ketens hem in de cel niet hadden gepermitteerd. Jaime had lang geleden geleerd om hazenslaapjes in het zadel te doen als hij op mars was. Dit was niet moeilijker. Tyrion lacht zich te barsten als hij hoort hoe ik door mijn eigen ontsnapping heen geslapen heb. Maar nu was hij wakker en maakten die ketens hem kregel.

Ze keek opnieuw stuurs, haar gezicht een en al paardentanden en duistere achterdocht. Ontken jij je geslacht? Zo ja, rijg die broek dan los en laat eens wat zien. Het Lannister-bloed in zijn aderen is wel heel erg verdund. Cleos was de zoon van zijn tante Genna bij die saaie Emmon Frey die in angst voor heer Tywin Lannister leefde sinds de dag dat hij met diens zuster was getrouwd.

Toen heer Walder Frey van de Tweeling zich in de oorlog bij Stroomvliet had aangesloten, had ser Emmon de band met zijn vrouw boven die met zijn vader verkozen. Een slechte ruil voor de Rots van Casterling, peinsde Jaime. Ser Cleos leek op een wezel, vocht als een gans en bezat de moed van een bijzonder dapper schaap.

Vrouwe Stark beloofde hem te laten lopen als hij haar boodschap aan Tyrion overbracht en ser Cleos had plechtig gezworen dat te zullen doen. Ze hadden heel wat afgezworen in die cel, vooral Jaime. Dat was vrouwe Catelyns prijs voor zijn vrijheid geweest. Ze had de punt van het zwaard van de forse deerne op zijn hart geplaatst en gezegd: Zweer dat je je broer zult dwingen zijn gelofte om mijn dochters veilig en ongedeerd terug te zenden, gestand te doen.

Zweer het op je riddereer, op je eer als Lannister, op je eer als een gezworen broeder van de Koningsgarde. Zweer het bij het leven van je zuster, dat van je vader en dat van je zoon, bij de oude goden en de nieuwe, en ik stuur je naar je zuster terug.

Weiger, en je bloed zal vloeien. Ik vraag me af wat de Hoge Septon zou zeggen van de heiligheid van eden die stomdronken, aan de muur geketend en met een zwaard op de borst gezworen zijn?

Niet dat Jaime zich echt om dat boerenbedrog bekommerde, of om de goden die hij beweerde te dienen. Hij dacht aan de emmer die vrouwe Catelyn in zijn cel had omgetrapt. Vreemd mens, om haar dochters aan een man toe te vertrouwen die schijt voor eer bezat.

Al vertrouwde ze hem zo weinig als ze durfde. Ze vestigt haar hoop op Tyrion, niet op mij. Hij bleef vriendelijk tegen haar; met haar de spot drijven zou zo makkelijk zijn dat het niet leuk meer was.

Die gewoonte wen je jezelf snel aan in een cel. Ze fronste tegen hem, duwde de riemen naar voren en trok eraan, duwde ze weer naar voren, en zei niets. Even glad van tong als ze fraai van gezicht is.

En Evenschemer is eedplichtig aan Stormeinde. Hoe komt het dat je Robb van Winterfel dient? En zij heeft me opgedragen u veilig bij uw broer Tyrion in Koningslanding af te leveren, niet om woorden met u te wisselen. En ik heb mijn zwaard niet!

Dat rotjoch bespioneerde ons. Jaime had alleen maar een uurtje samen met Cersei gewild. Hun reis naar het noorden was één langdurige kwelling geweest.

Iedere dag had hij haar gezien zonder haar te kunnen aanraken en geweten dat Robert elke avond beschonken haar bed in tolde in dat krakende huis op wielen. Tyrion had zijn best gedaan hem in een goed humeur te houden, maar dat was niet genoeg geweest. Je kunt een melkkoe met een staartriem, hoofdplaat en borstpantser uitdossen en haar van top tot teen met zijde behangen, maar daarmee kun je er nog niet mee ten strijde trekken.

Ik sprak de dame toe. Vertel eens, deerne, zijn alle vrouwen op Tarth zo lelijk als jij? Dan heb ik met de mannen te doen. Hou je kop, monster, tenzij je wilt dat ik je muilkorf. Er zijn niet veel mannen die me recht in mijn gezicht voor monster durven uitmaken.

Ser Cleos kuchte nerveus. De Starks koesteren geen hoop u met het zwaard te verslaan, dus nu voeren ze oorlog met venijnige woorden. Ze hébben me met het zwaard verslagen, kinloos misbaksel dat je bent.

Wereldwijze lachjes zijn voor velerlei uitleg vatbaar als je de mensen hun gang laat gaan. Heeft neef Cleos al die vuilspuiterij nu echt geslikt of wil hij bij mij in een goed blaadje komen?

Wat hebben we hier, een eerlijke schaapskop of een kontlikker? Ser Cleos bazelde onbekommerd verder. De waarheid was, dat Jaime er spijt van had gekregen dat hij Brandon Stark uit dat raam had gekieperd. Toen het jong alsmaar niet doodging had Cersei hem geen moment rust gegund. Ik verklaar hem desnoods de oorlog. De Oorlog om Cerseis Kut, zullen de zangers dat noemen. In plaats daarvan had hij haar gekust. Even had ze zich verzet, maar toen opende haar mond zich onder de zijne.

Hij herinnerde zich de smaak van wijn en kruidnagelen op haar tong. Zijn hand ging naar haar keurs en gaf er een ruk aan, zodat de zijde scheurde en haar borsten vrijkwamen. En even waren ze dat joch van Stark vergeten. Had Cersei er naderhand wel weer aan gedacht en die kerel gehuurd over wie vrouwe Catelyn had gesproken, om er zeker van te zijn dat de jongen nooit meer zou ontwaken?

Als ze hem dood had willen hebben had ze mij wel gestuurd. Stroomafwaarts glansde de zon op het winderige rivieroppervlak. De zuidelijke oever was van rode klei, gelijkmatig als een weg. Kleine stroompjes voedden de grotere, en de rottende stronken van verdronken bomen klampten zich aan de oevers vast. De noordkant was wilder. Twintig voet hoge, steile rotsen rezen boven hen uit, bekroond door groepjes beuken, eiken en kastanjes. Op de heuvels verderop ontwaarde Jaime een wachttoren die met iedere riemslag groeide, maar lang voor ze er waren zag hij al dat het ding verlaten was en dat de verweerde stenen door klimrozen overwoekerd waren.

Toen de wind draaide hielp ser Cleos de forse deerne het zeil te hijsen, een stijve driehoek van rood en blauw gestreept zeildoek. De kleuren van de Tullings, die hen zouden verzekeren van ellende als ze op de rivier op Lannister-troepen zouden stuiten.

Maar een ander zeil hadden ze niet. Briënne nam het roer. Jaime gooide het zijzwaard uit, en zijn ketens rammelden. Daarna schoten ze sneller op, hun vlucht werd bevorderd door wind en stroom. Of ik ga terug met de meisjes, of ik ga helemaal niet terug. Ze is zelfs nog bang voor me als ik ketens draag. Laat de baard zitten, maar haal wel het haar van mijn hoofd. Een kale vent met een smerige gele baard valt misschien minder op.

Ik wil liever niet herkend worden met die ijzers om. De dolk had scherper kunnen zijn. Cleos hakte er manmoedig op los en zaagde en sneed zich een weg door de klitten.

Het haar gooide hij overboord. De gouden krullen dreven op het wateroppervlak en raakten geleidelijk aan achterop. Toen de klitten verdwenen kroop er een luis over zijn nek omlaag. Jaime ving hem en plette hem met zijn duimnagel. Ser Cleos plukte er nog meer van zijn hoofdhuid en smeet ze in het water. Jaime maakte zijn hoofd nat en liet ser Cleos het lemmet wetten, voordat hij de laatste gele stoppels eraf schraapte. Toen dat klaar was fatsoeneerden ze ook zijn baard. Het spiegelbeeld in het water was een man die hij niet kende.

Hij was niet alleen kaal, maar zag er ook uit alsof hij in die kerker vijf jaar ouder was geworden. Zijn gezicht was magerder, met holle ogen en rimpels die hij zich niet kon herinneren. Zo lijk ik niet meer zo sprekend op Cersei. Dat zal ze afschuwelijk vinden. Tegen de middag was ser Cleos ingeslapen. Zijn gesnurk klonk als het paren van eenden. Jaime rekte zich uit om de wereld langs te zien drijven.

Na die donkere cel was iedere rots en elke boom een wonder. Er kwamen wat eenkamerhutten langs die op lange palen prijkten, waardoor ze op kraanvogels leken. De mensen die er woonden gaven geen enkel teken van leven. Vogels vlogen over hen heen of schreeuwden in de bomen langs de wal en Jaime zag zilveren vissen als messen door het water flitsen.

Tullingforellen, een slecht voorteken, dacht hij, tot hij een nog slechter zag. Een van de drijvende houtblokken die ze passeerden bleek een dode man te zijn, bloedeloos en opgezwollen. Zijn mantel was in de wortels van een omgevallen boom blijven haken en de kleur was onmiskenbaar het karmijnrood van de Lannisters. Hij vroeg zich af of het lijk van iemand was die hij kende. De eenvoudigste weg om goederen of mensen door het rivierengebied te vervoeren was via de vorken van de Drietand. In vredestijd zouden ze vissers in hun bootjes zijn tegengekomen, graanschuiten die stroomafwaarts werden geboomd, kooplieden die vanaf hun drijvende winkels naalden en rollen stof verkochten, misschien zelfs een fleurig geverfde komediantenboot met veelkleurig geblokte zeilen die van dorp naar dorp en van slot naar slot stroomopwaarts trok.

Maar de oorlog had zijn tol geëist. Ze voeren langs dorpen maar zagen geen dorpelingen. Een leeg net dat kapotgehakt en gescheurd aan een paar bomen hing was alles wat naar vissersvolk verwees. Een jong meisje dat haar paard drenkte, reed weg zodra ze hun zeil in het oog kreeg. Later passeerden ze een stuk of wat boeren die onder aan een uitgebrande woontoren in een veld groeven.

De mannen staarden hen met doffe ogen aan en ploeterden weer verder zodra ze hadden vastgesteld dat het roeibootje geen bedreiging vormde. De Rode Vork was breed en traag, een kronkelende rivier vol lussen en bochten, bezaaid met kleine beboste eilandjes en dikwijls vernauwd door zandbanken en stronken die net onder het wateroppervlak loerden.

Briënne leek echter een scherp oog voor de gevaren te hebben en scheen altijd de juiste vaargeul te kunnen vinden. Toen Jaime haar complimenteerde met haar kennis van de rivier keek ze hem wantrouwig aan en zei: Tarth is een eiland. Ik kon al met riemen en zeilen omgaan voor ik ooit op een paard had gezeten. Ser Cleos ging rechtop zitten en wreef in zijn ogen.

Ik hoop dat die wind aanhoudt. Een flinke bui zou Jaime welkom zijn. De kerkers van Stroomvliet waren niet de schoonste plek van de Zeven Koninkrijken. Hij moest inmiddels als een overrijpe kaas ruiken. Een dunne grijze vinger wenkte hen voort.

Kringelend en konkelend rees hij verscheidene mijlen verderop vanaf de zuidoever omhoog. Daaronder kon Jaime de smeulende resten van een groot gebouw onderscheiden, en een levende eik vol dode vrouwen. De kraaien waren nog maar net aan de lijken begonnen. De dunne touwen sneden diep in de zachte halzen en bij elke windvlaag draaiden en zwaaiden ze.

Briënne wendde het roer naar de oever. Kraaien moeten ook eten. Blijf op de rivier en laat de doden met rust, mens. Ze landden stroomopwaarts van de plek waar de grote eik over het water hing. Terwijl Briënne het zeil streek, klom Jaime uit de boot, gehinderd door zijn ketens. De Rode Vork vulde zijn laarzen en drong door zijn gerafelde broek. Lachend viel hij op zijn knieën, dompelde zijn hoofd in het water en kwam drijfnat en druipend weer boven.

Er zat vuil aan zijn handen gekoekt, en toen hij ze in de stroom had schoongeschrobd leken ze magerder en bleker dan in zijn herinnering. Zijn benen waren ook stijf en wankelden onder zijn gewicht. Ik heb veel te lang in die rotkerker van Hoster Tulling gezeten. Briënne en Cleos trokken het bootje op de oever.

Boven hen hingen de dode lichamen als rotte vruchten te rijpen. De deerne staarde omhoog naar een van de dode vrouwen. Jaime schuifelde dichterbij met kleine, hortende stapjes, de enige manier die de voet-lange keten hem toestond. Toen hij het primitieve bordje zag dat om de nek van het hoogste lijk hing moest hij glimlachen. Wie zouden die vrouwen zijn?

Een paar leden van mijn escorte hebben hier de nacht doorgebracht toen we laatst naar Stroomvliet terugkeerden.

Uit de as steeg nog rook op. Bordelen en hoeren liet Jaime aan zijn broer Tyrion over. De enige vrouw die hij ooit had begeerd was Cersei. Misschien hebben ze hun te eten en te drinken gegeven.

Zo hebben ze hun verraderskragen verdiend, met een kus en een kroes bier. Misschien heeft heer Jonos ze laten doden. Mijn vader heeft zijn slot in brand gestoken. Ik ben bang dat hij ons geen goed hart toedraagt. Misschien een bende noorderlingen van Rous Bolten? Het laatste nieuws in Stroomvliet was dat hij Harrenhal op ser Amaury Lors had veroverd. Dat klonk Jaime erg onprettig in de oren.

Hij meende een zweem van onzekerheid in haar grote blauwe ogen te ontwaren. Ze zouden mij eerst moeten doden. Hij heeft me eigenhandig met de gestreepte zijde van de Regenbooggarde bekleed. Jij en nog zes andere meisjes, zeker?

Een zanger zei eens dat zijde alle meisjes mooi maakt… maar die had jou vast nooit gezien. De vrouw kreeg een kleur. De lagere takken van de eik waren groot genoeg om haar gewicht te dragen toen ze de stam in geklommen was. Ze liep met haar dolk in de hand door de bladeren om de lijken los te snijden. Vliegen omzwermden de neerstortende lichamen en de stank nam toe naarmate er meer vielen.

We hebben geen schoppen en ik ben niet van plan mijn zwaard te gebruiken. Briënne slaakte een kreet. Ze sprong naar beneden in plaats van omlaag te klimmen. Ik zag een zeil. Ze maakten zoveel mogelijk haast, al kon Jaime nauwelijks rennen en moest hij door zijn neef het roeibootje in getrokken worden. Briënne duwde af met een riem en hees ijlings het zeil.

Hij deed wat ze gezegd had. Het bootje kliefde nu iets sneller door het water. Stroom, wind en riemen hielpen hen gezamenlijk voort.

Jaime zat geketend en wel stroomopwaarts te turen. Alleen de punt van het andere zeil was te zien. Door de lus in de Rode Vork leek het zich aan de overkant van de velden te bevinden en achter een scherm van bomen naar het noorden te schuiven, terwijl zij naar het zuiden gingen. Maar dat leek maar zo, wist hij. Hij hief beide handen op om zijn ogen af te schermen. Briënnes brede mond maalde geluidloos, zodat ze eruitzag als een herkauwende koe.

Achter hen was de herberg weldra uit het zicht verdwenen en ze verloren ook de punt van het zeil uit het oog, maar dat zei niets. Zodra de achtervolgers de lus om waren zouden ze weer zichtbaar zijn. Tyrion zou nu een list verzinnen, maar alles wat ik kan bedenken is met een zwaard op ze af stormen.

Bijna een uur speelden ze verstoppertje met hun achtervolgers en doken om bochten heen en tussen kleine beboste eilandjes door. Juist toen ze hoopten dat ze ontkomen waren werd in de verte het zeil weer zichtbaar.

Ser Cleos liet zijn riem even rusten. Het schip leek met elke riemslag iets groter te worden. Meer, als ze er behalve roeiers ook krijgslieden ingestopt hebben. En grotere zeilen dan wij. Daar ontkomen we niet aan. Ik had er liever acht gehad, maar deze armbandjes hinderen me een beetje. Ze zijn vast uitgeput. Zojuist heeft de aanblik van ons zeil hun krachten hernieuwd, maar dat zal niet lang duren.

We zullen er heel wat kunnen doden. Ser Cleos staarde hem met open mond aan. Het beste waarop we kunnen hopen, is strijdend ten onder te gaan. Jaime Lannister had de dood nooit gevreesd.

Briënne staakte haar geroei. Vlasblonde haarstrengen zaten tegen haar bezwete voorhoofd geplakt en die grimas maakte haar lelijker dan ooit. Hij moest lachen om zoveel woestheid. Het is net de Jachthond met tieten, dacht hij. Althans, als ze noemenswaardige tieten had. Of maak me los, zodat ik mezelf kan beschermen. De galei scheerde stroomafwaarts, een grote houten libel. Dankzij de furieuze riemslagen schuimde het water wit om de boeg.

Het schip liep zichtbaar op hen in en de mannen aan dek dromden samen bij de voorplecht. Metaal blonk in hun handen, en Jaime zag ook bogen. Hij had een hekel aan boogschutters. Bij de boeg van de toesnellende galei stond een gedrongen man met een kaal hoofd, borstelige grijze wenkbrauwen en gespierde armen.

Over zijn maliënkolder droeg hij een smoezelige witte wapenrok met daarop een lichtgroene treurwilg geborduurd, maar zijn mantel was vastgegespt met een zilveren forel. Het hoofd van de wacht van Stroomvliet. In zijn tijd was ser Robin Reyger als krijgsman berucht geweest om zijn vasthoudendheid, maar hij had zijn tijd gehad.

Hij was van Hoster Tullings leeftijd en samen met zijn heer oud geworden. Toen de boten nog vijftig pas van elkaar verwijderd waren zette Jaime zijn handen aan zijn mond en riep over het water: Bij u heeft dat niet slecht gewerkt. Ser Robin kon er niet om lachen. De afstand tussen roeiboot en galei was tot veertig pas geslonken.

Ser Cleos draaide zich om. Dat deed Jaime, al had hij er niets aan. Vier boogschutters posteerden zich aan weerskanten van hem, twee staand en twee knielend. Zijn antwoord was een zwerm pijlen.

Een drong er in de mast, twee doorboorden het zeil en de vierde miste Jaime op een voet na. Voor hen doemde weer een brede lus van de Rode Vork op. Briënne stuurde de roeiboot scherp de bocht om. Toen ze draaiden zwiepte de giek om, en het zeil bolde met een knal op in de wind. Verderop lag een groot eiland midden in de stroom. De hoofdgeul liep langs de linkeroever. Rechts takte er een zij arm af die tussen het eiland en de hoge rotsen op de noordoever door liep. Briënne verschoof de helmstok, en de roeiboot schoot met klapperend zeil naar links.

Jaime zag haar ogen. Mooie ogen, dacht hij, en kalm ook. Mannenogen waren een open boek voor hem. Hij wist hoe angst eruitzag. Ze is vastberaden, niet wanhopig.

Dertig pas achter hen draaide de galei de bocht in. Ser Cleos duwde Jaime de riem in zijn hand en krabbelde haastig naar de achtersteven. Ze kruisten voor de punt van het eiland langs en doken scherp de zij arm in, en toen de boot overstag ging sloeg er een golf water tegen de rotswand.

Het eiland was dicht bebost, een wirwar van wilgen, eiken en rijzige dennen die dichte schaduwen over het snelstromende water wierpen en de wortels en verrotte stronken van ondergestroomde bomen onzichtbaar maakten. Links rees de rotswand steil en stenig omhoog, en aan de voet ervan schuimde de rivier rond gebarsten rotsblokken en puin dat van de klip gestort was. Ze voeren uit de zon de schaduw in, voor de galei aan het zicht onttrokken door de groene muur van de bomen en de grijsgrauwe steen van de rotswand.

Even geen last van de pijlen, dacht Jaime, terwijl hij hen afduwde van een grote steen die half onder water lag. Hij hoorde een zachte plons, en toen hij omkeek was Briënne weg. Het volgende ogenblik zag hij haar weer, bezig zich onder aan de klip uit het water te hijsen. Ze waadde een ondiepe poel door, klauterde een paar rotsen over en begon te klimmen.

Ze konden het zeil achter de bomen zien bewegen. Aan het begin van de zij arm kwam de riviergalei vol in het zicht, vijfentwintig pas achter hen. De boeg ging scherp overstag en er vlogen wat pijlen de lucht in, allemaal naast. De boogschutters hadden last van het deinen van de twee boten maar dat zouden ze gauw genoeg weten te compenseren, besefte Jaime. Briënne was halverwege de rotswand en trok zich van steunpunt naar steunpunt op.

Zo ziet Reyger haar zeker, en dan laat hij haar door zijn boogschutters neerhalen. Jaime besloot om te kijken of de oude man zich door zijn trots tot een stommiteit zou laten verleiden. Ser Robin hief een hand op en zijn schutters lieten hun bogen zakken. De roeiboot schoot door een nest van gebroken stenen heen toen Jaime riep: Wat hebt u te vrezen? Als het aan mij lag zou ik niets liever doen, maar ik heb bevel u zo mogelijk levend terug te brengen.

De afstand was nog geen twintig pas. De schutters konden bijna niet missen, maar toen ze hun bogen spanden regende er een waterval van steentjes op hen neer. De kiezels kletterden bij hen op het dek, stuiterden van hun helmen af en plonsden aan weerkanten van de boeg in het water. Degenen die snel genoeg van begrip waren keken op, net op het moment dat een rotsblok ter omvang van een koe zich van de top van de klip losmaakte. Ser Robin slaakte een kreet van ontzetting.

De steen tuimelde door de lucht, raakte de rotswand, brak in tweeën en smakte bovenop hen. Het grootste stuk sloeg de mast doormidden, scheurde het zeil, smeet twee van de schutters met een boog de rivier in en verbrijzelde het been van een roeier die zich net over zijn riem boog. De snelheid waarmee de galei zich met water vulde liet vermoeden dat het kleinste brokstuk recht door de romp gegaan was. De kreten van de roeiers weerkaatsten tegen de rotswand, terwijl de boogschutters in de stroom wild met hun armen maaiden.

Naar het gespetter te oordelen konden ze geen van beiden zwemmen. Tegen de tijd dat ze uit de zijarm opdoken was de galei tussen ondiepten, kolken en boomwortels vastgelopen en had Jaime Lannister geconstateerd dat de goden goed waren. Ser Robin en zijn driewerf vervloekte boogschutters hadden een lange, natte wandeling naar Stroomvliet voor de boeg en zelf was hij bovendien die grote, lelijke deerne kwijt.

Ik had het zelf niet beter kunnen bedenken. Als ik eenmaal die ijzers kwijt ben…. Ser Cleos slaakte een kreet. Toen Jaime opkeek denderde Briënne een eind voor hen uit over de bovenrand van de klip. Terwijl hun boot de bocht van de rivier volgde, had zij een stukje afgestoken over een landtong. Ze wierp zich van de rots, en zoals ze zich kromde in die duik was ze bijna gracieus.

Het zou onaardig zijn om te hopen dat haar hoofd op een steen te pletter zou slaan. Ser Cleos stuurde het bootje naar haar toe. Gelukkig had Jaime zijn riem nog. Een goeie klap als ze eraan komt plonzen en ik heb geen last meer van haar. In plaats daarvan merkte hij dat hij zijn riem over het water heen stak. Briënne greep hem vast en Jaime trok haar naar zich toe. Toen hij haar in het bootje hielp liep het water uit haar haren en droop het uit haar doorweekte kleren in plasjes op het dek.

Ze is nog lelijker als ze nat is. Wie had dat voor mogelijk gehouden? Je verwacht nu zeker dat ik dank je wel zeg. Ik heb een eed gezworen om je veilig in Koningslanding te brengen. Hij was schildknaap geweest toen Catelyn geboren werd, ridder toen ze leerde lopen, rijden en zwemmen, en wapenmeester op de dag dat ze trouwde. Hij had heer Hosters kleine Cat zien opgroeien tot een jonge vrouw, de gemalin van een machtig heer, de moeder van een koning.

En nu heeft hij me ook nog in een verraadster zien veranderen. Haar broer Edmar had ser Desmond tot kastelein van Stroomvliet benoemd toen hij ten strijde trok, dus moest hij nu over haar misdaad oordelen. Voor meer informatie kijk in de vraagbaak bij Activiteitenkalender. Topics tonen   Berichten tonen. Laatst gewijzigd door Annejolein: Annejolein Bekijk openbaar profiel Stuur een privébericht naar Annejolein Zoek meer berichten van Annejolein.

Hoi Loes, graag een ander woord; dit woord hebben we net op 29 september gehad. Zo hé, dat zijn er veel! Sorry Annejolein, ff geen zin meer, klik hem per ongeluk weg en had al dik woorden Oorspronkelijk geplaatst door loesepoes. Weergave Lineaire weergave Switchen naar hybride weergave Switchen naar vertakte weergave.

Contact - Disclaimer - Naar boven. Maak er meer van, deel 7. Pagina 14 van Annejolein Deelnemer       Geregistreerd:




sex in het hooi geile tiener sletjes




Ze voeren langs dorpen maar zagen geen dorpelingen. Een leeg net dat kapotgehakt en gescheurd aan een paar bomen hing was alles wat naar vissersvolk verwees. Een jong meisje dat haar paard drenkte, reed weg zodra ze hun zeil in het oog kreeg.

Later passeerden ze een stuk of wat boeren die onder aan een uitgebrande woontoren in een veld groeven. De mannen staarden hen met doffe ogen aan en ploeterden weer verder zodra ze hadden vastgesteld dat het roeibootje geen bedreiging vormde.

De Rode Vork was breed en traag, een kronkelende rivier vol lussen en bochten, bezaaid met kleine beboste eilandjes en dikwijls vernauwd door zandbanken en stronken die net onder het wateroppervlak loerden. Briënne leek echter een scherp oog voor de gevaren te hebben en scheen altijd de juiste vaargeul te kunnen vinden. Toen Jaime haar complimenteerde met haar kennis van de rivier keek ze hem wantrouwig aan en zei: Tarth is een eiland. Ik kon al met riemen en zeilen omgaan voor ik ooit op een paard had gezeten.

Ser Cleos ging rechtop zitten en wreef in zijn ogen. Ik hoop dat die wind aanhoudt. Een flinke bui zou Jaime welkom zijn. De kerkers van Stroomvliet waren niet de schoonste plek van de Zeven Koninkrijken. Hij moest inmiddels als een overrijpe kaas ruiken. Een dunne grijze vinger wenkte hen voort.

Kringelend en konkelend rees hij verscheidene mijlen verderop vanaf de zuidoever omhoog. Daaronder kon Jaime de smeulende resten van een groot gebouw onderscheiden, en een levende eik vol dode vrouwen. De kraaien waren nog maar net aan de lijken begonnen. De dunne touwen sneden diep in de zachte halzen en bij elke windvlaag draaiden en zwaaiden ze. Briënne wendde het roer naar de oever.

Kraaien moeten ook eten. Blijf op de rivier en laat de doden met rust, mens. Ze landden stroomopwaarts van de plek waar de grote eik over het water hing. Terwijl Briënne het zeil streek, klom Jaime uit de boot, gehinderd door zijn ketens. De Rode Vork vulde zijn laarzen en drong door zijn gerafelde broek. Lachend viel hij op zijn knieën, dompelde zijn hoofd in het water en kwam drijfnat en druipend weer boven. Er zat vuil aan zijn handen gekoekt, en toen hij ze in de stroom had schoongeschrobd leken ze magerder en bleker dan in zijn herinnering.

Zijn benen waren ook stijf en wankelden onder zijn gewicht. Ik heb veel te lang in die rotkerker van Hoster Tulling gezeten. Briënne en Cleos trokken het bootje op de oever. Boven hen hingen de dode lichamen als rotte vruchten te rijpen.

De deerne staarde omhoog naar een van de dode vrouwen. Jaime schuifelde dichterbij met kleine, hortende stapjes, de enige manier die de voet-lange keten hem toestond. Toen hij het primitieve bordje zag dat om de nek van het hoogste lijk hing moest hij glimlachen.

Wie zouden die vrouwen zijn? Een paar leden van mijn escorte hebben hier de nacht doorgebracht toen we laatst naar Stroomvliet terugkeerden. Uit de as steeg nog rook op. Bordelen en hoeren liet Jaime aan zijn broer Tyrion over. De enige vrouw die hij ooit had begeerd was Cersei. Misschien hebben ze hun te eten en te drinken gegeven. Zo hebben ze hun verraderskragen verdiend, met een kus en een kroes bier. Misschien heeft heer Jonos ze laten doden. Mijn vader heeft zijn slot in brand gestoken.

Ik ben bang dat hij ons geen goed hart toedraagt. Misschien een bende noorderlingen van Rous Bolten? Het laatste nieuws in Stroomvliet was dat hij Harrenhal op ser Amaury Lors had veroverd. Dat klonk Jaime erg onprettig in de oren. Hij meende een zweem van onzekerheid in haar grote blauwe ogen te ontwaren. Ze zouden mij eerst moeten doden. Hij heeft me eigenhandig met de gestreepte zijde van de Regenbooggarde bekleed. Jij en nog zes andere meisjes, zeker?

Een zanger zei eens dat zijde alle meisjes mooi maakt… maar die had jou vast nooit gezien. De vrouw kreeg een kleur. De lagere takken van de eik waren groot genoeg om haar gewicht te dragen toen ze de stam in geklommen was. Ze liep met haar dolk in de hand door de bladeren om de lijken los te snijden. Vliegen omzwermden de neerstortende lichamen en de stank nam toe naarmate er meer vielen. We hebben geen schoppen en ik ben niet van plan mijn zwaard te gebruiken.

Briënne slaakte een kreet. Ze sprong naar beneden in plaats van omlaag te klimmen. Ik zag een zeil. Ze maakten zoveel mogelijk haast, al kon Jaime nauwelijks rennen en moest hij door zijn neef het roeibootje in getrokken worden.

Briënne duwde af met een riem en hees ijlings het zeil. Hij deed wat ze gezegd had. Het bootje kliefde nu iets sneller door het water. Stroom, wind en riemen hielpen hen gezamenlijk voort. Jaime zat geketend en wel stroomopwaarts te turen. Alleen de punt van het andere zeil was te zien.

Door de lus in de Rode Vork leek het zich aan de overkant van de velden te bevinden en achter een scherm van bomen naar het noorden te schuiven, terwijl zij naar het zuiden gingen.

Maar dat leek maar zo, wist hij. Hij hief beide handen op om zijn ogen af te schermen. Briënnes brede mond maalde geluidloos, zodat ze eruitzag als een herkauwende koe. Achter hen was de herberg weldra uit het zicht verdwenen en ze verloren ook de punt van het zeil uit het oog, maar dat zei niets.

Zodra de achtervolgers de lus om waren zouden ze weer zichtbaar zijn. Tyrion zou nu een list verzinnen, maar alles wat ik kan bedenken is met een zwaard op ze af stormen.

Bijna een uur speelden ze verstoppertje met hun achtervolgers en doken om bochten heen en tussen kleine beboste eilandjes door.

Juist toen ze hoopten dat ze ontkomen waren werd in de verte het zeil weer zichtbaar. Ser Cleos liet zijn riem even rusten. Het schip leek met elke riemslag iets groter te worden.

Meer, als ze er behalve roeiers ook krijgslieden ingestopt hebben. En grotere zeilen dan wij. Daar ontkomen we niet aan. Ik had er liever acht gehad, maar deze armbandjes hinderen me een beetje. Ze zijn vast uitgeput. Zojuist heeft de aanblik van ons zeil hun krachten hernieuwd, maar dat zal niet lang duren.

We zullen er heel wat kunnen doden. Ser Cleos staarde hem met open mond aan. Het beste waarop we kunnen hopen, is strijdend ten onder te gaan. Jaime Lannister had de dood nooit gevreesd. Briënne staakte haar geroei. Vlasblonde haarstrengen zaten tegen haar bezwete voorhoofd geplakt en die grimas maakte haar lelijker dan ooit. Hij moest lachen om zoveel woestheid. Het is net de Jachthond met tieten, dacht hij.

Althans, als ze noemenswaardige tieten had. Of maak me los, zodat ik mezelf kan beschermen. De galei scheerde stroomafwaarts, een grote houten libel. Dankzij de furieuze riemslagen schuimde het water wit om de boeg.

Het schip liep zichtbaar op hen in en de mannen aan dek dromden samen bij de voorplecht. Metaal blonk in hun handen, en Jaime zag ook bogen. Hij had een hekel aan boogschutters. Bij de boeg van de toesnellende galei stond een gedrongen man met een kaal hoofd, borstelige grijze wenkbrauwen en gespierde armen. Over zijn maliënkolder droeg hij een smoezelige witte wapenrok met daarop een lichtgroene treurwilg geborduurd, maar zijn mantel was vastgegespt met een zilveren forel.

Het hoofd van de wacht van Stroomvliet. In zijn tijd was ser Robin Reyger als krijgsman berucht geweest om zijn vasthoudendheid, maar hij had zijn tijd gehad. Hij was van Hoster Tullings leeftijd en samen met zijn heer oud geworden. Toen de boten nog vijftig pas van elkaar verwijderd waren zette Jaime zijn handen aan zijn mond en riep over het water: Bij u heeft dat niet slecht gewerkt.

Ser Robin kon er niet om lachen. De afstand tussen roeiboot en galei was tot veertig pas geslonken. Ser Cleos draaide zich om. Dat deed Jaime, al had hij er niets aan. Vier boogschutters posteerden zich aan weerskanten van hem, twee staand en twee knielend.

Zijn antwoord was een zwerm pijlen. Een drong er in de mast, twee doorboorden het zeil en de vierde miste Jaime op een voet na. Voor hen doemde weer een brede lus van de Rode Vork op. Briënne stuurde de roeiboot scherp de bocht om. Toen ze draaiden zwiepte de giek om, en het zeil bolde met een knal op in de wind. Verderop lag een groot eiland midden in de stroom. De hoofdgeul liep langs de linkeroever. Rechts takte er een zij arm af die tussen het eiland en de hoge rotsen op de noordoever door liep.

Briënne verschoof de helmstok, en de roeiboot schoot met klapperend zeil naar links. Jaime zag haar ogen. Mooie ogen, dacht hij, en kalm ook. Mannenogen waren een open boek voor hem. Hij wist hoe angst eruitzag. Ze is vastberaden, niet wanhopig.

Dertig pas achter hen draaide de galei de bocht in. Ser Cleos duwde Jaime de riem in zijn hand en krabbelde haastig naar de achtersteven. Ze kruisten voor de punt van het eiland langs en doken scherp de zij arm in, en toen de boot overstag ging sloeg er een golf water tegen de rotswand. Het eiland was dicht bebost, een wirwar van wilgen, eiken en rijzige dennen die dichte schaduwen over het snelstromende water wierpen en de wortels en verrotte stronken van ondergestroomde bomen onzichtbaar maakten.

Links rees de rotswand steil en stenig omhoog, en aan de voet ervan schuimde de rivier rond gebarsten rotsblokken en puin dat van de klip gestort was.

Ze voeren uit de zon de schaduw in, voor de galei aan het zicht onttrokken door de groene muur van de bomen en de grijsgrauwe steen van de rotswand. Even geen last van de pijlen, dacht Jaime, terwijl hij hen afduwde van een grote steen die half onder water lag. Hij hoorde een zachte plons, en toen hij omkeek was Briënne weg.

Het volgende ogenblik zag hij haar weer, bezig zich onder aan de klip uit het water te hijsen. Ze waadde een ondiepe poel door, klauterde een paar rotsen over en begon te klimmen. Ze konden het zeil achter de bomen zien bewegen. Aan het begin van de zij arm kwam de riviergalei vol in het zicht, vijfentwintig pas achter hen. De boeg ging scherp overstag en er vlogen wat pijlen de lucht in, allemaal naast. De boogschutters hadden last van het deinen van de twee boten maar dat zouden ze gauw genoeg weten te compenseren, besefte Jaime.

Briënne was halverwege de rotswand en trok zich van steunpunt naar steunpunt op. Zo ziet Reyger haar zeker, en dan laat hij haar door zijn boogschutters neerhalen. Jaime besloot om te kijken of de oude man zich door zijn trots tot een stommiteit zou laten verleiden. Ser Robin hief een hand op en zijn schutters lieten hun bogen zakken.

De roeiboot schoot door een nest van gebroken stenen heen toen Jaime riep: Wat hebt u te vrezen? Als het aan mij lag zou ik niets liever doen, maar ik heb bevel u zo mogelijk levend terug te brengen. De afstand was nog geen twintig pas. De schutters konden bijna niet missen, maar toen ze hun bogen spanden regende er een waterval van steentjes op hen neer.

De kiezels kletterden bij hen op het dek, stuiterden van hun helmen af en plonsden aan weerkanten van de boeg in het water.

Degenen die snel genoeg van begrip waren keken op, net op het moment dat een rotsblok ter omvang van een koe zich van de top van de klip losmaakte. Ser Robin slaakte een kreet van ontzetting. De steen tuimelde door de lucht, raakte de rotswand, brak in tweeën en smakte bovenop hen. Het grootste stuk sloeg de mast doormidden, scheurde het zeil, smeet twee van de schutters met een boog de rivier in en verbrijzelde het been van een roeier die zich net over zijn riem boog.

De snelheid waarmee de galei zich met water vulde liet vermoeden dat het kleinste brokstuk recht door de romp gegaan was. De kreten van de roeiers weerkaatsten tegen de rotswand, terwijl de boogschutters in de stroom wild met hun armen maaiden. Naar het gespetter te oordelen konden ze geen van beiden zwemmen. Tegen de tijd dat ze uit de zijarm opdoken was de galei tussen ondiepten, kolken en boomwortels vastgelopen en had Jaime Lannister geconstateerd dat de goden goed waren.

Ser Robin en zijn driewerf vervloekte boogschutters hadden een lange, natte wandeling naar Stroomvliet voor de boeg en zelf was hij bovendien die grote, lelijke deerne kwijt.

Ik had het zelf niet beter kunnen bedenken. Als ik eenmaal die ijzers kwijt ben…. Ser Cleos slaakte een kreet. Toen Jaime opkeek denderde Briënne een eind voor hen uit over de bovenrand van de klip. Terwijl hun boot de bocht van de rivier volgde, had zij een stukje afgestoken over een landtong.

Ze wierp zich van de rots, en zoals ze zich kromde in die duik was ze bijna gracieus. Het zou onaardig zijn om te hopen dat haar hoofd op een steen te pletter zou slaan.

Ser Cleos stuurde het bootje naar haar toe. Gelukkig had Jaime zijn riem nog. Een goeie klap als ze eraan komt plonzen en ik heb geen last meer van haar. In plaats daarvan merkte hij dat hij zijn riem over het water heen stak. Briënne greep hem vast en Jaime trok haar naar zich toe. Toen hij haar in het bootje hielp liep het water uit haar haren en droop het uit haar doorweekte kleren in plasjes op het dek.

Ze is nog lelijker als ze nat is. Wie had dat voor mogelijk gehouden? Je verwacht nu zeker dat ik dank je wel zeg. Ik heb een eed gezworen om je veilig in Koningslanding te brengen.

Hij was schildknaap geweest toen Catelyn geboren werd, ridder toen ze leerde lopen, rijden en zwemmen, en wapenmeester op de dag dat ze trouwde. Hij had heer Hosters kleine Cat zien opgroeien tot een jonge vrouw, de gemalin van een machtig heer, de moeder van een koning. En nu heeft hij me ook nog in een verraadster zien veranderen. Haar broer Edmar had ser Desmond tot kastelein van Stroomvliet benoemd toen hij ten strijde trok, dus moest hij nu over haar misdaad oordelen.

Omdat hij daarmee in zijn maag zat had hij ter ondersteuning haar vaders hofmeester Utherydes Wagen meegenomen. De twee mannen stonden haar aan te kijken, ser Desmond omvangrijk, vuurrood en zwaar in verlegenheid gebracht, Utherydes ernstig, hol en melancholiek. Ze hebben hun leven aan mijn vaders dienst gewijd en ik beloon ze met schande, dacht Catelyn vermoeid. Als u mij niet straft zullen de mensen denken dat wij hebben samengezworen om Jaime Lannister te bevrijden. Ik heb dit gedaan, en ik alleen ben verantwoordelijk.

Sla mij in de lege ijzers van de Koningsmoordenaar en ik zal ze met fier heid dragen, als het zo moet zijn. Zodat u een poosje alleen bent om voor uw vermoorde zonen te bidden? Ser Desmond dacht even na. Het zal u niet aan comfort of een hoffelijke behandeling ontbreken, maar u mag niet meer vrij in het slot rondlopen. Bezoekt u desgewenst de sept, maar blijft u verder in de kamers van heer Hoster totdat heer Edmar terugkomt. Ser Desmond knikte, zichtbaar opgelucht dat hij deze onaangename taak achter de rug had, maar Utherydes Wagen met zijn droevige ogen bleef nog even staan toen de kastelein vertrok.

Ser Desmond heeft ser Robin Reyger erachteraan gezonden om de Koningsmoordenaar terug te brengen… of in het uiterste geval zijn hoofd. Dat was niet meer dan Catelyn had verwacht. Moge de Krijgsman je zwaardarm kracht geven, Briënne, bad ze. Zij had gedaan wat ze kon, nu restte haar nog slechts hoop. Haar spullen werden overgebracht naar haar vaders slaapvertrek, dat gedomineerd werd door het grote hemelbed waarin zij was geboren, met houten pilaren in de vorm van forellen.

Haar vader zelf was een halve trapomgang naar beneden gebracht. Zijn ziekbed was tegenover het driehoekige balkon van zijn woonzaal neergezet, zodat hij de rivieren kon zien waar hij altijd zo van had gehouden.

Toen Catelyn binnenkwam sliep heer Hoster. Ze liep het balkon op en bleef daar staan met een hand op de ruwe stenen balustrade. Voorbij de punt van het slot stroomde de snelle Steenstort met de kalme Rode Vork samen en ze kon een heel eind stroomafwaarts kijken. Als er een gestreept zeil uit het oosten nadert komt ser Robin terug.

Op dit moment was het wateroppervlak leeg. Daarvoor dankte ze de goden, waarna ze weer naar binnen liep om bij haar vader te gaan zitten. Catelyn zou niet kunnen zeggen of heer Hoster wist dat ze er was, of enige troost putte uit haar aanwezigheid, maar het troostte haar om bij hem te zijn. Wat zou u zeggen als u van mijn misdaad afwist, vader?

Had u hetzelfde gedaan als Lysa en ik ons in handen van onze vijanden bevonden? Of had u mij ook veroordeeld en het de waanzin van een moeder genoemd? De geur van de dood hing in deze kamer, een zware, weezoete, hardnekkige lucht. Hij deed haar denken aan de zoons die ze had verloren, haar lieve Bran en haar kleine Rickon, vermoord door Theon Grauwvreugd, die Neds pupil was geweest.

Heer Hosters ogen gingen open. Hij herkent me niet. Catelyn was eraan gewend geraakt dat hij haar voor haar moeder of haar zuster Lysa aanzag, maar de naam Tansy was haar vreemd. Kon er een andere vrouw zijn geweest in het leven van haar vader?

Een dorpsmeisje dat hij in zijn jeugd onrecht had gedaan, misschien? Zou hij na moeders dood troost hebben gezocht in de armen van een dienstmeid? Een vreemde gedachte die haar verontrustte. Plotseling kreeg ze het gevoel dat ze haar vader helemaal niet gekend had. Wilt u dat ik haar laat halen, vader?

Waar vind ik die vrouw? Is hij vergeten dat Ned gestorven is? Heeft hij het nog tegen Tansy, of ben ik het nu weer, of Lysa, of moeder? Toen hij kuchte hoestte hij bloederig slijm op. Hij omklemde haar vingers. Zijn nagels boorden zich in haar hand, en ze slaakte een gesmoorde kreet. Maester Veyman kwam haastig aanlopen om nog een dosis papaversap klaar te maken en zijn heer te helpen het door te slikken.

Weldra was heer Hoster Tulling in diepe slaap verzonken. Een dienstmeisje, een vrouw uit een dorp in de buurt? Misschien iemand van jaren geleden? Ik kan wel navraag doen, als u wilt. Als zo iemand ooit op Stroomvliet heeft gediend zal Utherydes Wagen het vast wel weten. Dat is een andere naam voor boerenwormkruid. De gewone man noemt zijn dochters vaak naar bloemen en kruiden.

Zij heette Tansy, nu ik eraan denk. Of was het Pansy? Iets in die geest. Ser Desmond heeft voorgeschreven dat wij uitsluitend met u mogen spreken voor zover onze plicht dat vereist. Ik ben in ieder geval van de oorlog af, zei ze bij zichzelf, zij het maar voor even.

Na het vertrek van de maester sloeg ze een wollen mantel om en liep het balkon weer op. Zonlicht blonk op de rivieren en verguldde het oppervlak van het water dat voorbij het slot deinde. Catelyn schermde haar ogen af tegen de felle glans, zoekend naar een zeil in de verte en vrezend dat ze het zou zien. Maar er was niets, en niets hield in dat haar hoop nog leefde. Die hele dag keek ze uit, en tot diep in de nacht, tot haar benen pijn deden van het staan.

Laat in de middag kwam er een raaf naar het slot. Met grote zwarte vleugels fladderde hij omlaag naar het roekenhuis. Duistere wieken, duistere woorden, dacht ze, want de vorige vogel die was aangekomen en de ontzetting die hij had gebracht stonden haar nog levendig voor de geest.

Toen de avond viel kwam maester Veyman terug om heer Tulling te verzorgen en Catelyn een bescheiden avondmaaltijd van brood, kaas en gekookt rundvlees met mierikswortel te brengen. Zolang hij hier dient is er nooit een vrouw op Stroomvliet geweest die Tansy heette, dat weet hij heel zeker. Verkeert Edmar in moeilijkheden?

Alstublieft, wee st u zo goed, neemt u mijn angst weg. Alles is rustig bij de Voorden. Hij ontweek haar blikken. Hij verborg iets voor haar. De maester op de Steilte zal hem ongetwijfeld verzorgen. Opnieuw was Catelyn alleen met haar vader. Het papaversap had zijn werk gedaan en heer Hoster was diep in slaap gezakt. Zijn mond stond open, en een,dun straaltje speeksel liep uit een van zijn mondhoeken en maakte zijn kussen vochtig.

Catelyn nam een linnen doek en veegde het voorzichtig weg. Toen ze hem aanraakte kreunde heer Hoster. Zijn woorden verontrustten haar meer dan ze kon zeggen, al kon ze er geen touw aan vastknopen. Komt alles dan op bloed neer? Vader, wie was die vrouw, en wat hebt u haar aangedaan waarvoor u al die vergeving nodig hebt? Die nacht sliep Catelyn onrustig, geplaagd door vormeloze dromen over haar kinderen, de zoekgeraakte en de dode.

Ruimschoots voor de ochtend aanbrak werd ze wakker met de woorden van haar vader in haar oren. Lieve kindertjes, en wettig geboren… waarom zou hij zoiets zeggen, tenzij hij… is het mogelijk dat hij bij die vrouw Tansy een bastaard heeft verwekt? Dat kon ze niet geloven.

Haar broer Edmar, die wel, het zou haar niets verbazen om te horen dat Edmar een stuk of tien natuurlijke kinderen had. Maar haar vader niet, niet heer Hoster Tulling, nooit. Zou Tansy een koosnaampje voor Lysa kunnen zzïn, zoals hij mij Cat noemde?

Heer Hoster had haar al eens eerder met haar zuster verwisseld. Je krijgt nog wel andere, zei hij. Lieve kindertjes, en wettig geboren. Lysa had vijf miskramen gehad, twee keer in het Adelaarsnest en drie keer in Koningslanding, maar nooit op Stroomvliet, waar heer Hoster in de buurt zou zijn geweest om haar te troosten. Nooit, tenzij… tenzij ze die eerste keer zwanger was…. Zij en haar zuster waren op dezelfde dag getrouwd en onder hun vaders hoede achtergelaten toen hun kersverse echtgenoten waren vertrokken om weer aan Roberts opstand deel te nemen.

Naderhand, toen hun maandbloed niet op de gebruikelijke tijd kwam, had Lysa blij en gelukkig gebabbeld over de zonen van wie ze zeker wist dat ze ze droegen. O, ze zullen de beste vrienden zijn zoals jouw Ned en heer Robert.

Ze zullen eerder broers dan neven zijn, echt, ik weet het gewoon. Catelyn had altijd gedacht dat Lysa gewoon wat over tijd was geweest, maar als ze echt zwanger was geweest…. Ze herinnerde zich de eerste keer dat ze Robb aan haar zuster had gegeven om vast te houden, klein, met een rood hoofd en krijsend, maar ook toen al sterk en vol leven. Catelyn had de baby nog met in haar zusters armen gelegd of Lysa was in tranen geweest.

Haastig had ze Catelyn de baby weer teruggegeven en was gevlucht. Als ze destijds een kind had verloren zou dat vaders woorden kunnen verklaren, en nog heel veel andere dingen ook.

Een oude man zonder erfgenaam. Zijn eerste vrouwen waren kinderloos gestorven, de zoon van zijn broer was samen met Brandon Stark in Koningslanding vermoord, zijn dappere neef was gesneuveld in de Slag van de Klokken.

Voor het voortbestaan van het huis Arryn had hij een jonge echtgenote nodig… een jonge echtgenote die zeker vruchtbaar was. Catelyn stond op, sloeg een mantel om en daalde de trappen naar de donkere woonzaal af, waar ze naast haar vader bleef staan.

Een gevoel van machteloze vrees vervulde haar. Ze was een weduwe, een verraadster, een treurende moeder, en wijs geworden, wereldwijs. De Arryns waren trots, en erg op hun eer gespitst.

Heer Jon mocht dan met Lysa getrouwd zijn om de Tullings aan de zaak van hun opstand te binden en in de hoop een zoon te krijgen, het moest hem hard zijn gevallen een vrouw lief te hebben die bezoedeld en onwillig naar zijn bed was gekomen. Hij was ongetwijfeld vriendelijk en plichtsgetrouw geweest, dat wel, maar Lysa had warmte nodig. Toen ze de volgende dag ontbeet vroeg Catelyn om een ganzenveer en papier en begon een brief te schrijven aan haar zuster in de Vallei van Arryn.

Ze vertelde Lysa over Bran en Rickon, worstelend met de woorden, maar het meeste ging over hun vader. Hij denkt alleen nog maar aan het onrecht dat hij jou heeft aangedaan, nu zijn tijd kort wordt. Maester Veyman zegt dat hij het papaversap niet nog sterker durft te maken. Het is tijd dat vader zijn zwaard en schild neerlegt, tijd dat hij rust krijgt.

Maar hij blijft grimmig doorvechten en wil zich niet overgeven. Dat is vanwege jou, denk ik. Hij heeft jouw vergiffenis nodig. De oorlog heeft de weg van het Adelaarsnest naar Stroomvliet gevaarlijk gemaakt om te reizen, dat weet ik, maar een sterke compagnie ridders zal jou toch wel veilig door de Maanbergen kunnen brengen?

Honderd man, of duizend? En als je niet kunt komen, wil je hem dan tenminste schrijven? Een paar liefdevolle woorden, zodat hij in vrede kan sterven? Schrijf wat je wilt en ik zal het hem voorlezen en zijn heengaan verlichten. Nog terwijl ze de ganzenveer weglegde en om zegelwas vroeg, had Catelyn het gevoel dat haar brief onvoldoende was en te laat kwam. Maester Veyman dacht niet dat heer Tulling nog zoveel tijd van leven had dat een raaf heen en weer kon vliegen naar het Adelaarsnest.

Al heeft hij zoiets al eerder gezegd… De mannen van Tulling gaven zich niet gemakkelijk over, hoe groot de overmacht ook was. Nadat ze het perkament aan de hoede van de maester had toevertrouwd, ging Catelyn naar de sept en stak een kaars aan voor de Vader in den Hoge, omwille van haar eigen vader, een tweede voor de Oude Vrouw die de eerste raaf de wereld had binnengelaten toen ze door de deur des doods gluurde, en een derde voor de Moeder, voor Lysa en alle kinderen die ze allebei verloren hadden.

Later die dag, toen ze met een boek aan heer Hosters bed zat en alsmaar dezelfde passage herlas, hoorde ze luide stemmen en het geschetter van een trompet. Ser Robin, dacht ze onmiddellijk en ze kromp in elkaar. Ze liep naar het balkon, maar buiten op de rivieren was niets te zien. Wel kon ze buiten de stemmen duidelijker horen, het geluid van vele paarden, het gerinkel van wapenrustingen, en hier en daar gejuich.

Catelyn beklom de wenteltrap naar het dak van de burcht. Ser Desmond heeft me niet verboden het dak op te gaan, zei ze al klimmend tegen zichzelf. De geluiden kwamen van de andere kant van het slot, van de hoofdpoort.

Een kluitje mannen stond voor het valhek, dat met horten en stoten omhoogging, en op de velden daarachter, buiten het slot, bevonden zich een paar honderd ruiters. Toen de wind hun banieren strak blies beefde ze van opluchting bij het zien van de springende forel van Stroomvliet. Het duurde nog twee uur voor het hem behaagde haar op te zoeken. Inmiddels weergalmde het slot van de luidruchtige herenigingen tussen de mannen en hun vrouwen en kinderen.

Drie raven waren uit het roekenhuis opgestegen en hadden klapwiekend met hun zwarte vleugels het luchtruim gekozen. Catelyn had ze gezien vanaf haar vaders balkon. Ze had haar haren gewassen, zich verkleed en zich erop voorbereid de verwijten van haar broer aan te horen … maar toch viel het wachten haar zwaar.

Toen ze eindelijk geluiden voor haar deur hoorde ging ze zitten en vouwde haar handen in haar schoot. Edmars laarzen, scheenplaten en wapenrok zaten onder de opgedroogde rode modderspatten. Als je hem zo zag zou je nooit zeggen dat hij zijn veldslag gewonnen had. Hij was mager en afgetrokken, met bleke wangen, een ongekamde baard en te felle ogen. Is er iets gebeurd? Zijn de Lannisters de rivier overgestoken? Ik heb ze rechtsomkeert laten maken.

Een overwinning voor de Lannisters was slecht nieuws, maar Catelyn deelde de zichtbare verslagenheid van haar broer niet. Ze had nog steeds nachtmerries over de schaduw die ze door Renlings tent had zien glijden en de manier waarop het bloed tussen de stalen stroken van zijn hals beschermer doorgelopen was. Hooggaarde heeft zich voor Joffry verklaard. Je had het recht niet. Maar daar kon ze nu niet bij stilstaan. Hij heeft het gezworen, in aanwezigheid van het hof.

En de Koningsmoordenaar heeft het ook gezworen. En wat de Kobold betreft, ze zeggen dat die tijdens de slag een bijl in zijn hoofd heeft gekregen. Tegen de tijd dat die Briënne van jou Koningslanding bereikt — als ze dat al doet — is hij dood.

Ze had Jaime honderd eden laten zweren, maar het was de belofte van zijn broer waarop ze haar hoop had gevestigd. Edmar had geen oog voor haar ontsteltenis. Over water of over de weg, de route van Stroomvliet naar Koningslanding leidt vlak langs Harrenhal. Met een van ontzetting verstikte stem zei ze: Ik heb geschreven dat Jaime ontsnapt was en duizend draken uitgeloofd voor wie hem weer vangt.

Het wordt steeds erger, dacht Catelyn wanhopig. Mijn broer is een idioot. Ongevraagde en ongewenste tranen sprongen haar in de ogen. De Koningsmoordenaar wordt teruggebracht, daar heb ik voor gezorgd. Briënne zou hem veilig naar Koningslanding hebben gebracht, zolang niemand jacht op ze maakte. De hemel was net zo zwart als de muren van Harrenhal achter hen, en de regen, die zacht en gestaag neerdaalde, dempte het geluid van de paardenhoeven en droop over hun gezicht.

Ze reden noordwaarts, bij het meer vandaan, over een karrenspoor tussen de geteisterde velden door naar de bossen en beken. Arya nam de leiding. Zonder enige voorzichtigheid in acht te nemen dreef ze haar gestolen paard tot een stevige galop aan tot het geboomte zich om haar heen sloot.

In de verte huilden wolven en ze kon de zware ademhaling van Warme Pastei horen. Zo nu en dan wierp Arya een blik over haar schouder om er zeker van te zijn dat de twee jongens niet te ver achterop raakten en om te kijken of ze achtervolgd werden. Dat zou gebeuren, wist ze. Iemand zou hem vinden, dood, in een plas bloed, en dan zou er groot alarm geslagen worden. Heer Bolten zou gewekt worden en Harrenhal zou van de nok tot de kelder doorzocht worden, en dan zouden ze ontdekken dat de kaart en de dolk weg waren, en ook een paar zwaarden uit de wapenkamer, brood en kaas uit de keukens, een bakkersjongen, een leerling-smid en een schenkster die Nans heette… of Wezel, of Arrie, afhankelijk van degene aan wie je het vroeg.

De heer van Fort Gruw zou hen niet zelf achtervolgen. Rous Bolten zou in bed blijven, zijn weke lijf bezaaid met bloedzuigers, maar hij zou met zijn fluisterzachte stem bevelen geven.

Zijn knecht Walten zou de jacht leiden, degene die Staalpoot werd genoemd omdat hij altijd scheenbeschermers om zijn lange benen droeg. Of misschien werd het de kwijlende Vargo Hoat met zijn huurlingen, die zich de Dappere Gezellen noemden.

Als ze ons krijgen hakt hij ook onze handen en voeten af, dacht Arya, en daarna stroopt Rous Bolten ons vel eraf. Ze droeg nog steeds haar page kostuum, met op de voorkant, ter hoogte van haar hart, het wapenteken van heer Bolten geborduurd, de gevilde man van Fort Gruw. Telkens als ze omkeek verwachtte ze half en half een toortsgloed uit de verre poorten van Harrenhal te zien stromen of over de torenhoge muren te zien snellen, maar er was niets te zien.

Harrenhal sliep door, totdat het was opgeslokt door het donker en onzichtbaar was geworden achter de bomen. Toen ze het eerste stroompje overstaken liet Arya haar paard van de weg zwenken en reed een kwart mijl langs de kronkelende waterloop, waarna ze er weer uit klauterde, een stenige oever op.

Als de jagers honden bij zich hadden zouden die daardoor het spoor misschien bijster raken, hoopte ze. Ze konden niet op de weg blijven. Op de weg loert de dood, zei ze bij zichzelf, die loert op alle wegen.

Gendry en Warme Pastei trokken haar keus niet in twijfel. Zij had tenslotte de kaart, en Warme Pastei leek haar bijna evenzeer te vrezen als de mannen die misschien achter hen aan zouden komen.

Hij had de wachter gezien die ze had gedood. Hij kan maar beter bang voor me zijn, zei ze bij zichzelf. Dan doet hij wat ik zeg, in plaats van iets stoms.

Ze zou zelf banger moeten zijn, wist ze. Ze was pas tien, een broodmager meisje op een gestolen paard met voor zich een donker woud en achter zich mannen die haar met plezier de voeten zouden afhakken. Toch was ze kalmer dan ze ooit in Harrenhal was geweest. De regen had het bloed van de wachter van haar vingers gespoeld, ze had een zwaard op haar rug, wolven slopen als slanke grijze schimmen door het donker en Arya Stark was onvervaard.

Vrees snijdt dieper dan het zwaard, prevelde ze onhoorbaar, de woorden die ze van Syrio Forel had geleerd, en ook Jaqens woorden, valar morghulis. De regen hield op en begon weer en hield nog eens op en begon nog eens, maar ze hadden goede, waterdichte mantels. Arya zorgde dat ze langzaam maar gestaag verder reden. Het was te donker onder de bomen om sneller te gaan.

De jongens waren geen van beide goede ruiters en de zachte, oneffen bodem was verraderlijk, met half begraven wortels en verborgen stenen. Ze kruisten nog een andere weg waarvan de diepe voren vol water stonden, maar die meed Arya. Ze ging hen voor over glooiende heuvels, door braambosjes, doornstruiken en een wirwar van kreupelhout en over de bodem van smalle geulen waar takken, zwaar van de natte bladeren, hen in het voorbijgaan tegen het gezicht sloegen.

Maar paard noch berijder raakte gewond, en Gendry kreeg die bekende koppige blik op zijn gezicht en steeg meteen weer op. Niet lang daarna stuitten ze op drie wolven die van het kadaver van een hertenjong vraten.

Toen het paard van Warme Pastei de lucht opsnoof bokte het en sloeg het op hol. Twee wolven vluchtten eveneens, maar de derde stak zijn kop omhoog en ontblootte zijn tanden, bereid zijn prooi te verdedigen. Pas toen wendde Arya de teugels om achter Warme Pastei aan te gaan, die zich wanhopig aan het zadel vastklampte, terwijl hij door het geboomte denderde.

Later kwamen ze door een uitgebrand dorp waar ze zich voorzichtig een weg zochten tussen de skeletten van verkoolde hutten en langs de beenderen van een stuk of tien dode mannen die aan een rij appelbomen hingen. Toen Warme Pastei hen zag, begon hij met een klein fluisterstemmetje tot de barmhartige Moeder te bidden, telkens opnieuw.

Arya keek omhoog naar de ontvleesde doden in hun natte, rottende kleren en zegde haar eigen gebed op. Ser Ilyn, ser Meryn, koning Joffry, koningin Cersei. Ze eindigde met valar morghulis , raakte Jaqens munt aan die veilig in haar gordel zat, en toen ze onder de doden door reed stak ze haar hand op om een appel tussen hen uit te plukken.

Die was papperig en overrijp, maar ze at hem op met wormen en al. Dat was de dag zonder dageraad. Rondom hen werd de hemel langzaam lichter, maar de zon vertoonde zich niet. Zwart werd grijs, en schroomvallig kropen de kleuren de wereld weer in. De krijgsdennen waren in somber groen gehuld, de loofbomen in roestrood en verbleekt goud dat al bruin werd. Ze lasten een rustpauze in, lang genoeg om de paarden te drenken en snel een koud ontbijt te eten, een in stukken gebroken brood dat Warme Pastei uit de keuken had gestolen en hompen harde, gele kaas die ze aan elkaar doorgaven.

Zie je hoe dat grotendeels aan één kant van de boom groeit? Dat is het zuiden. Als we de Drietand eenmaal bereiken hoeven we alleen nog stroomopwaarts te gaan tot we bij Stroomvliet komen, hier. Warme Pastei keek naar de kaart en knipperde met zijn ogen. Stroomvliet was een kasteeltoren die in de vork tussen de vloeiende blauwe lijnen van twee rivieren was geschilderd, de Steenstort en de Rode Vork.

Omdat Stroomvliet mijn grootvaders slot is en omdat mijn broer Robb daar is, wilde ze zeggen. Ze beet op haar lip en rolde de kaart op. Maar alleen als we er komen. Ze voelde zich slecht, dat ze de waarheid voor Warme Pastei verzweeg, maar ze vertrouwde hem haar geheim niet toe. Gendry wist het wel, maar dat lag anders. Gendry had zijn eigen geheim, al leek hij niet te weten wat het was. Die dag verhoogde Arya hun tempo en liet alle paarden zo lang ze durfde op een sukkeldrafje lopen en soms tot galop aanzetten als ze voor hen uit een stuk vlak terrein ontwaarde.

Maar dat was zelden het geval, want naarmate ze vorderden werd de grond steeds heuvelachtiger. De heuvels waren niet hoog en ook niet bijzonder steil, maar er leek geen eind aan te komen. Ze werden het algauw zat de ene op te klimmen en de volgende weer af te dalen, en op een gegeven moment volgden ze de loop van het terrein, langs stroombeddingen en door een doolhof van ondiepe, beboste valleien waarin de bomen een dicht baldakijn boven hun hoofd vormden.

Zo nu en dan stuurde ze Warme Pastei en Gendry verder, terwijl zij op haar schreden terugkeerde om hun spoor te verdoezelen. Al die tijd luisterde ze naar de eerste tekenen van een achtervolging. Te langzaam, dacht ze, we gaan te langzaam, zo krijgen ze ons zeker te pakken. Een keer ontdekte ze vanaf de kam van een heuvel donkere gedaanten die een stroompje in de vallei achter hen overstaken, en een halve hartslag lang vreesde ze dat Rous Boltens ruiters hen op de hielen zaten, maar toen ze nog eens keek merkte ze dat het alleen maar een pak wolven was.

Ze zette haar handen aan haar mond en huilde naar hen. Tegen de middag begon Warme Pastei te klagen. Zijn achterste deed zeer, vertelde hij hun, en de binnenkant van zijn dijen werd rauw van het zadel, en bovendien moest hij nodig slapen.

Arya keek Gendry aan. De wolven of de Mommers? Warme Pastei opende zijn mond en sloot hem weer. Hij viel niet van zijn paard. Korte tijd later begon het te regenen. Ze hadden nog steeds geen glimp van de zon opgevangen.

Het werd kouder, en fletse witte nevelflarden kronkelden tussen de dennen door en dreven over de kale, verbrande velden. Gendry had het bijna even moeilijk als Warme Pastei, al was hij te koppig om te klagen. Hij zat moeizaam in het zadel, een vastberaden blik op het gezicht onder het ruige, zwarte haar, maar Arya kon zien dat hij geen ruiter was.

Daar had ik aan moeten denken, dacht ze bij zichzelf. Yoren had hun rijdieren gegeven toen hij hen uit Koningslanding meenam, maar op een ezel zitten en achter een wagen aan over de Koningsweg sjokken was één ding, en een jachtpaard door wilde wouden en over verbrande velden loodsen iets heel anders. In haar eentje zou ze veel sneller opschieten, besefte Arya, maar ze kon hen niet achterlaten. Zij waren haar wolvenpak, haar vrienden, de enige levende vrienden die ze nog had, en zonder haar zouden ze nog veilig in Harrenhal zijn, Gendry zwetend achter zijn aambeeld en Warme Pastei in de keuken.

Als de Mommers ons grijpen zeg ik tegen ze dat ik de dochter van Ned Stark en de zuster van de Koning in het Noorden ben. Dan beveel ik hun, mij bij mijn broer te brengen en Warme Pastei en Gendry geen kwaad te doen.

Maar ze zouden haar misschien niet geloven, en zelfs als ze dat wel deden… Heer Bolten was haar broers baanderman, maar ze was toch bang voor hem. Ik zal zorgen dat ze ons niet te pakken krijgen, zwoer ze in stilte en reikte over haar schouder naar achteren om het gevest van het zwaard aan te raken dat Gendry voor haar had gestolen. Daar zorg ik voor. Laat in de middag doken ze vanonder de bomen op om te ontdekken dat ze op een rivieroever stonden. Warme Pastei slaakte een kreet van vreugde.

Nu hoeven we alleen nog stroomopwaarts te gaan, zoals jij zei. We zijn er bijna! Arya kauwde op haar lip. In haar herinnering was de Drietand veel breder. We moeten een heel eind opgeschoten zijn. Arya steeg af, haalde de kaart te voorschijn en ontrolde die. De regen kletterde op de schapenhuid en liep er in straaltjes af. Kijk, daar bij je vinger is Harrenhal, je raakt het bijna aan. En we hebben de hele dag gereden! Dit moet een andere rivier zijn, een van deze, kijk. Onder elk daarvan stond in fijn schrift een naam gepenseeld.

Warme Pastei keek van de lijn naar de rivier. Kijk, en de Grote Wilge mondt in de Drietand uit, dus zouden we van de een naar de ander kunnen, maar dan moeten we stroomafwaarts, niet opwaarts.

Warme Pastei sperde zijn ogen open. Dan maken ze ons zeker af. En stel je voor dat er slangen in zitten? Hij wees naar een boom vlakbij. We kunnen best verdwaald zijn en in kringetjes rondrijden. Jullie kunnen meekomen of hier blijven. Als ze niet meer mee wilden moesten ze Stroomvliet maar op eigen houtje zien te vinden, al lag het meer voor de hand dat zij door de Mommers gevonden zouden worden.

Ze moest ruim een halve mijl langs de oever rijden voordat ze eindelijk een plek vond waar het veilig leek om over te steken, en zelfs toen aarzelde haar merrie nog om het water in te gaan. Hoe de rivier ook heette, hij was bruin en stroomde snel, en het diepe stuk in het midden kwam tot voorbij de paardenbuik. Haar laarzen kwamen vol water, maar ze drukte niettemin haar hielen in de paardenbuik en klom er aan de overkant uit.

Achter zich hoorde ze geplons en het nerveuze gehinnik van een merrie. Dus ze zijn me gevolgd. Ze keerde zich om en keek toe hoe de jongens naar de overkant zwoegden en druipend naast haar opdoken. De volgende rivier was ondieper en gemakkelijker over te steken. Ook dat was de Drietand niet, en niemand ging tegen haar in toen ze zei dat ze zouden oversteken.

De schemering viel al toen ze halt hielden om de paarden weer te laten uitrusten en nog een maaltje van brood en kaas met elkaar te delen. Warme Pastei kromp enigszins in elkaar. Arya keek van opzij naar Gendry. Hij sprak tegelijk met mij, net als Jon altijd deed, thuis op Winterfel. Van al haar broers miste ze Jon Sneeuw het meest. Ik denk dat er blaren op zitten. Terwijl ze stapvoets in een traag tempo voortsjokten en het licht rondom hen vervaagde, merkte Arya hoe groot haar eigen uitputting was.

Zij had net zo hard slaap nodig als Warme Pastei, maar het risico was te groot. Als ze in slaap vielen zou het kunnen dat ze bij het wakker worden Vargo Hoat naast zich zagen staan, samen met Warrewel de Zot en de Getrouwe Urswijck, en Rorg en Bijter en Septon Ut en al zijn andere monsters.

Niettemin werden na een poosje de bewegingen van haar paard even slaapverwekkend als het schommelen van een wieg, en Arya voelde haar oogleden zwaar worden. Ze liet ze dichtzakken, heel eventjes maar, en sperde ze toen weer open. Niet in slaap vallen, schreeuwde ze zichzelf geluidloos toe. Het mag niet, het mag niet. Ze wreef met haar knokkels hard in een oog om het open te houden, klemde de teugels stevig vast en zette haar rijdier tot draf aan.

Maar noch zij, noch het paard kon het tempo volhouden, en al enkele ogenblikken later waren ze tot stapvoets teruggezakt. Nog iets later zakten haar ogen voor de tweede keer dicht. Ditmaal gingen ze niet zo snel weer open. Je paard liep in een kringetje rond, maar pas toen het bleef staan begreep ik dat je sliep.

Warme Pastei is er al net zo aan toe, die is tegen een boomtak aangereden en van zijn paard gevallen, je had hem moeten horen krijsen. Zelfs daar werd je niet wakker van. Je moet stoppen en gaan slapen. Ik neem de eerste wacht. Warme Pastei lag al op de grond zachtjes te snurken, opgerold onder zijn mantel, boven op een hoop vochtige bladeren. Hij had een grote punt kaas in één vuist maar wekte de indruk tussen twee happen door in slaap gevallen te zijn.

Het had geen zin om erover te twisten, besefte Arya. De Mommers zullen ook moeten slapen, hield ze zichzelf voor, en ze hoopte dat het waar was. Ze was zo moe dat ze de grootste moeite had om af te stijgen, maar ze dacht er nog wel aan haar paard te kluisteren voor ze een plaatsje onder een beuk zocht. De grond was hard en vochtig. Hoi Loes, graag een ander woord; dit woord hebben we net op 29 september gehad.

Zo hé, dat zijn er veel! Sorry Annejolein, ff geen zin meer, klik hem per ongeluk weg en had al dik woorden Oorspronkelijk geplaatst door loesepoes. Weergave Lineaire weergave Switchen naar hybride weergave Switchen naar vertakte weergave. Contact - Disclaimer - Naar boven.

Maak er meer van, deel 7. Pagina 14 van Annejolein Deelnemer       Geregistreerd: Stuur een privébericht naar Annejolein. Zoek meer berichten van Annejolein. Stuur een privébericht naar loesepoes. Zoek meer berichten van loesepoes.








Erotische tantra massage thuisontvangst zeeland